Vanuit Canticum Canticorum ontstaat ALLELUJA, maar het staat ook op zichzelf.
Geen oplossing, maar een voortzetting.

Het woord Alleluja is niet langer een vaststaand lofgebed.
Het wordt een veld van stemmen — verschuivend, overlappend, instabiel.

Van fragiele adem tot collectieve kracht
ontvouwt zich een zwerm van klank in de ruimte.

ALLELUJA is niet onschuldig.
Het draagt herinnering, spanning, verzet.

Geen viering —
maar een aandringen.

Een stem die blijft verdergaan.