Canticum Canticorum
Liefde als Verzet, Stem als Transformatie
Canticum Canticorum is een muziektheatrale samenwerking tussen ChampdAction en Collegium Vocale en Transparant, een ontmoeting tussen twee werelden: het hedendaagse experimentele veld en de diepe traditie van polyfonie waarin Collegium Vocale excelleert. De voorstelling herinterpreteert het Bijbelse Hooglied — een gedicht waarin een zwarte herderin haar onmogelijke liefde bezingt.
Het beroemde vers “Ik ben zwart en mooi” vormt het beginpunt van een politiek geladen lezing: de vrouw uit het Hooglied is geen exotische voetnoot, maar een uitgesloten stem die weigert te zwijgen. In de context van de terugkeer uit de Babylonische ballingschap werden uitheemse vrouwen weggestuurd uit Jeruzalem — liefde werd gezuiverd, afgebakend, gecontroleerd. De voorstelling herstelt het Hooglied als protestlied tegen uitsluiting, racialisering en macht.
De spanningsboog is lichamelijk en zintuiglijk: licht, video, elektronica, orgel, stem en beweging creëren een wereld die voortdurend transformeert. De kerkruimte wordt eerst een betwiste publieke plek — OPEN/CLOSED — en vervolgens een droomlandschap waarin de innerlijke stem van de vrouw tastbaar wordt. De Monoliet, een mobiel lichtobject, vormt het epicentrum van haar strijd en verlangen.
Wat de samenwerking bijzonder maakt, is hoe de muziek zelf een botsingsveld wordt. Pure polyfonie staat naast elektronische ruis, glitchende projecties en punkachtige energie-uitbarstingen. Klassieke werken worden niet “bewerkte verfijning”, maar krijgen een nieuw, soms brutaal leven: alsof de geschiedenis zelf opnieuw gaat spreken.
Een krachtig voorbeeld is de transformatie van een Palestrina-fragment uit Canticum Canticorum:
- vrouwen zingen de mannenpartijen
- mannen zingen de vrouwenpartijen
- technologie draait de timbres opnieuw om
→ gender wordt gedestabiliseerd, geschiedenis wordt vloeibaar
→ traditie wordt een plek van verbeelding in plaats van controle
De vrouwen vonden hun nieuwe stem onmiddellijk; de mannen moesten hun toon zoeken, tot zij zichzelf hoorden weerspiegeld in een ander lichaam. Zo wordt zelfs het zingen een proces van hercontextualisering en emancipatie.
Ook in de dramaturgie wordt de rauwe onderlaag van de tekst niet geschuwd. HIJ adoreert en idealiseert haar lichaam, maar wachters slaan haar en koren controleren haar gedrag. De geliefde wordt tegelijk begeerd en begrensd. Haar lichaam wordt taal van macht: wie bepaalt waar liefde mag bestaan?
Toch blijft zij zingen. Haar stem — soms fluisterend en intiem, soms chaotisch en schurend — overleeft elke poging tot uitwissing. Met “Sterk als de dood is liefde” sluit ze niet af met romantische verzoening, maar met een radicale claim op bestaan.
Canticum Canticorum toont de liefde als een kracht die maatschappelijke ordeningen ondermijnt.
Het lichaam wordt politiek.
Stem wordt verzet.
Traditie wordt toekomst.
In een tijd waarin grenzen opnieuw worden opgetrokken, lichamen worden gereguleerd en identiteiten opnieuw worden gedefinieerd, klinkt dit eeuwenoude lied opnieuw gevaarlijk actueel:Liefde is nooit neutraal.
Zij is zwart én mooi.
Zij wijkt niet.
Zij blijft zingen.

